Cold Crematorium: Reporting from the Land of Auschwitz door József Debreczeni recensie – hel op aarde in evenwichtig proza ​​| Geschiedenisboeken

IN Koning Lear, Geconfronteerd met de figuur van zijn wreed verblinde vader, vraagt ​​Edgar zich af of de zaken wel zo erg zijn als ze zich zouden kunnen voorstellen. Hij komt echter tot de conclusie dat ‘het ergste niet zo is’, zolang we maar kunnen zeggen: ‘Dit is het ergste.” Alleen al het feit dat hij over taal en oordeelsvermogen beschikt, is op zichzelf een bewijs dat hij meer te verliezen heeft. De woorden van Edgar in dit meest archaïsche stuk van Shakespeare voelen op afschuwelijke wijze profetisch aan voor de slachtbank van de moderne geschiedenis, alsof de gebeurtenissen van de twintigste eeuw bedoeld waren om hen op de proef te stellen. Is dit het ergste waartoe mensen in staat zijn? Is dit? Is dit?

József Debreczeni’s memoires over de nazi-vernietigingskampen, voor het eerst vanuit het Hongaars in het Engels vertaald, weerspiegelt vaak de bewering van Edgar. Nadat hij is overgebracht van “de hoofdstad van het Grote Land Auschwitz” naar een van de netwerken van subkampen, Eule, ontdekt hij dat hij opnieuw zal worden verplaatst: “Ik zou toch niet op een veel slechtere plek terecht kunnen komen, Ik dacht – en hoe tragisch verkeerd ik was.” Tegen het einde van zijn opmerkelijke reeks observatieve geschriften heeft het woord ‘erger’ alle betekenis verloren; Het vergelijken van de diepten van menselijke ervaringen van verdorvenheid en lijden voelt op zichzelf al obsceen. Is tyfus erger dan honger? Is doodgedrukt worden terwijl je een ondergrondse tunnel aan het ontginnen bent erger dan wegkwijnen in een plas van je eigen vuiligheid?

Debreczeni, een eminent journalist, dwarsboomt dergelijke vergelijkingen door de gebeurtenissen die zich ontvouwen voor de lezer te laten zweven in de verbazingwekkende evenwichtigheid van zijn proza. Op een ondraaglijk moment waarvoor de uitdrukking ‘galgenhumor’ volkomen ontoereikend lijkt, vertelt hij ons dat de nachtelijke kreet van de artsen: ‘Meld de doden!’ – werd door “de meer schertsende onder ons” beantwoord met “Meld als je dood bent!”

Debreczeni’s relaas slaagt erin iets van deze ondenkbare grapjes te maken, de doden te melden en zijn eigen leven-in-dood te melden. Hij legt detail na schrijnend detail vast. De oude timmerman, de heer Mandel, een voormalige kettingroker wiens handen nog steeds ‘mechanisch bewogen, alsof hij een sigaret vasthield’ in de veewagen op weg naar Auschwitz. De voormalige Tsjechische legerofficier Feldmann, die ‘séance-achtige bijeenkomsten’ hield en gedetailleerde en nutteloze ontsnappingsplannen formuleerde. De spasme van vrijgevigheid waarbij degenen die binnenkort naar een nieuw en onbekend lot worden getransporteerd, schamele geschenken, een peukje en een stuk kool, krijgen van degenen die voorlopig achterblijven: “In de hoofden van degenen die achterblijven , klopt deze imperatief weg: We moeten iets geven, iets geven.”

Als dit wijst op een resterende menselijkheid, dan zit er in deze overtuigende waarheid geen van de onwaarschijnlijkheden en gladde morele opvattingen die de Holocaust-fictie hebben geplaagd en gedevalueerd, van Leven Is mooi naar De jongen in de gestreepte pyjama.

Debreczeni’s boek maakt op spectaculaire wijze de moeilijke maar noodzakelijke dubbele eis van de Holocaust en de herdenking ervan duidelijk: wat we de eisen van het universele en het bijzondere zouden kunnen noemen, of het algemene en het specifieke. Om haar nagedachtenis te doen, moet elke vorm van gerechtigheid betekenen: nooit meer verkondigen: voor iedereen: alle daden van massaal geweld afkeuren en verzetten. Maar de urgentie van het afleiden van deze algemene imperatief mag niet betekenen dat men te snel voorbijgaat aan de bijzonderheden van wat de nazi’s en hun daders hebben begaan; voorbij zijn geïndustrialiseerde schaal en mechanismen, zijn gebureaucratiseerde ingewikkeldheden, zijn enorme massaliteit en de massaliteit van elk leven dat wordt gevild, verminderd en vernietigd.

Alleen door de moeilijke daad om zowel de algemene imperatief als het specifieke voorbeeld tegelijk in gedachten te houden, kunnen we hopen antwoord te kunnen geven op Debreczeni’s gekwelde oproep in de leegte tijdens zijn eerste nacht in Dörnhau: “Kom hier, jullie visionairen die creëren met pen, krijt, steen of penseel; jullie allemaal die ooit hebben geprobeerd de grimas van lijden en dood op te roepen; profeten van de dans macabergraveurs van terreur, schriftgeleerden van de hellen – kom hier!”

Koud Crematorium door József Debreczeni (vertaald door Paul Olchvary) is uitgegeven door Jonathan Cape (£ 16,99). Ter ondersteuning van de Voogd En Waarnemer Bestel uw exemplaar op Guardianbookshop.com. Er kunnen bezorgkosten van toepassing zijn